Na 25 jaar sectorenmodel: Tijd om op eigen benen te staan

25 jaar sectoren.png

Vijfentwintig jaar geleden werd het sectorenmodel ingevoerd. In een openbaar debat bij het CAOP draaide het om de vraag wat het sectorenmodel heeft gebracht en wat voor de toekomst voorligt.

Tot de invoering van het sectorenmodel in 1993 werd voor alle overheidswerknemers centraal over de primaire arbeidsvoorwaarden overlegd. ‘De decentralisatie van de arbeidsverhoudingen heeft geleid tot maatwerk en flexibiliteit. Maar ook wel tot meer complexiteit’, blikte SER-voorzitter Mariëtte Hamer terug. Ook constateerde zij dat de overheid nog steeds sterke invloed heeft op de loonontwikkeling in de publieke sector. Daarnaast vindt zij het begrijpelijk dat publieke werkgevers zich uiten, omdat zij de gevolgen ondervinden van de afspraken uit het Sociaal Akkoord van 2013. Hamer noemde in dit verband onder meer de banenafspraak

Of het sectorenmodel bezig is te verdampen? Hamer: ‘Ik ben erg van én én. En van kleine stappen.’

Doelen van weleer
Grada Lautenbach, plaatsvervangend directeur Ambtenaar & Organisatie Rijk bij het ministerie van BZK, haalde even terug wat destijds de drie doelen van het sectorenmodel waren:

  • Meer maatwerk
  • Normaliseren van het overleg
  • Borgen van enige coördinatie en samenhang.

Het laatste werd de taak van VSO en de Raad voor het overheidspersoneelsbeleid (ROP). Wat er van het geheel is geworden? Gelet op de doelen van weleer zijn de evaluaties positief. Er is wel degelijk meer differentiatie ontstaan in arbeidsvoorwaarden tussen de sectoren. Er wordt serieus overleg gevoerd. En met de borging van enige samenhang lijkt niet direct iets mis.

Maar er zijn ook kritiekpunten:

  • De spanning tussen wat ‘centraal of decentraal’ blijft
  • De gedachte dat de overheid een wat gewonere werkgever zou zijn is niet bewaarheid
  • De rol van de landelijke politiek is nog steeds behoorlijk groot

VSO en ROP lopen heel erg tegen de rollen aan die er bij de kabinetssectoren zijn. Het kabinet is immers werkgever én wetgever. Het werkt met publiek geld en wordt ook aangesproken op de kwaliteit van de publieke sector. Dat maakt VSO en ROP de facto een beetje vleugellam.

Effectiever overleg
Intussen is het model in de praktijk behoorlijk juridisch vastgelegd. Daardoor is de structuur van veertien sectoren met vaste rollen inflexibel. Lautenbach is dan ook blij dat BZK en sociale partners de uitdaging hebben opgepakt om effectievere overlegvormen te verzinnen voor het bovensectorale niveau.

Wat daarbij helpt is:

  • De komende normalisering van de ambtelijke rechtspositie
  • Dat Zelfstandige Publieke Werkgevers (ZPW) zich steviger, zelfstandiger en bestuurlijker aan het organiseren zijn
  • Wat ook helpt is de politieke dimensie die er is een eigen plek te geven
  • En misschien wel het allerbelangrijkste om gewoon te beginnen bij de inhoud. Per slot van rekening heeft iedereen er belang bij dat de publieke sector vitaal blijft.

BZK is dus erg geporteerd van decentrale verantwoordelijkheid. Directeur-generaal Werk bij SZW Gert-Jan Buitendijk stelt vanuit zijn eerdere ervaring bij BZK dat de rol van dit ministerie voor samenhang en coördinatie lamentabel is: ‘Ik geef het je te doen om, als er politieke wensen zijn, die te realiseren in veertien sectoren die van hun eigenheid uitgaan. Of als er zorgen zijn, zoals nu het gebrek aan personeel.’

Bij de doorontwikkeling van het model ligt volgens hem de vraag voor tot hoever je moet doorhellen naar het decentrale niveau: ‘Wat betekent dat dan voor bovensectorale dossiers? En voor de institutionalisering van het centrale niveau?’

25 jaar sectoren.png

Minuut stilte
De 25ste verjaardag van het sectorenmodel was voor Barent Barentsen, bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen in de publieke sector op de Albeda-leerstoel, reden 1 minuut stilte in acht te nemen: ‘We kunnen het model in dankbaarheid en blijdschap ons gaan herinneren’. Het is volgens hem zo’n succes geweest dat het juridisch construct straks niet meer nodig is. Want er is differentiatie, opener en reëler overleg en er zitten echte cao’s aan te komen. Natuurlijk blijft ‘bepaald overleg’ nodig. Maar de discussie over arbeidsvoorwaarden belooft volgens hem een stuk leuker te worden: ‘Want je kunt niet álle ballen in de lucht willen houden’.

Verscheidenheid
Oud-voorzitter Sietske Pijpstra van VSO, sinds kort werkzaam bij Defensie, vindt het maar wat goed dat er sectoren zijn. Juist omdát al die sectoren verschillend zijn. Paul van Gijzen (Politie en bestuurslid VSO) verwacht dat kabinetssectoren in de toekomst een 'andere' positie zullen houden, ‘want sturing zal blijven. Dat is inherent aan het zijn van kabinetssector’.

José Bouma (MBO Raad en bestuurslid VSO) is ook kwartiermaker van de nieuw op te richten stichting Zelfstandige Publieke Werkgevers (ZPW) per 1 januari aanstaande. Deze groep werkgevers vindt ook dat zij een plek verdient in de Stichting van de Arbeid (STAR). Het gevolg is ook dat er binnen VSO een herijking zal plaatshebben in de samenwerking met elkaar. De banenafspraak en pensioen zijn hiervoor blijvend goede thema’s. Daarnaast vervult VSO ook een netwerkfunctie. Maar bovensectorale uitdagingen, zoals het aanpakken van tekorten en de vergrijzing, hoeven geen arbeidsvoorwaardelijke afspraken te zijn, vulde Sietske Pijpstra aan.

Pensioenen
Tenslotte de pensioenen. Als je dat wilt, kun je die best sectoraliseren, hield Joop van Lunteren (ABP) de zaal voor. Al blijken er voor- én nadelen aan afzonderlijke sectorpensioenregelingen te kleven.

Sectoralisatie zou uitkomst kunnen bieden aan wie er last van heeft om over een deel van het arbeidsvoorwaardenpakket te gaan, maar niet over het pensioen. ‘Wij hebben een cao-traject waarin we voorstellen tot op twee cijfers na de komma uitrekenen. Voor de komma verdwijnt het naar pensioen’, beklaagde een van hen zich over het gebrek aan zeggenschap.

Volgens een ander in de zaal heeft iedereen in de publieke sector juist baat bij één rustgevende pensioenregeling. Hoe uiteenlopend is eigenlijk de pensioenbehoefte als je bij verandering van werk van het ene naar het andere fonds moet hoppen?

Er zijn echter ook werkgevers die tot meer dan honderd verschillende nationaliteiten in huis hebben. Al die werknemers worden gedwongen om – al is het voor een paar jaar – mee te doen in ABP: ‘Ik zou dit graag aan een pensioentafel in onze sector willen bespreken.’

Vrij gemeenschappelijk was de opvatting dat ook op dit vlak in de toekomst steeds meer maatwerk zal worden gerealiseerd.

 Conclusies van het verjaardagsfeest:

  •  Heb een substantiële inhoudelijke agenda
  • Denk na hoe je dat bovensectorale overleg gaat organiseren, want dat zit moeilijk, ook in relatie tot de kabinetssectoren
  • Denk na over de balans tussen behoefte aan maatwerk en het voordeel van de schaal, dat ook evident is
  • Help met goede procesfacilitatie zodat partners systematisch het gesprek met elkaar kunnen voeren en dat ook kunnen afmaken
  • En durf mensen te betrekken buiten de vaste groep: heb daarbij oog voor de jongere generatie.

Tekst: Klaas Salverda

Geplaatst op vrijdag 2 november 2018 in het dossier Algemeen

Deel dit artikel

Ga naar...