Over VSO Werkgevers

Het VSO vertegenwoordigt de gezamenlijke belangen van de werkgevers in het publieke domein. Bij elkaar opgeteld hebben overheids- en onderwijswerkgevers bijna één miljoen werknemers in dienst. Lees verder.

Participanten

PO-Raad

PO-Raad

Unie van Waterschappen

Unie van Waterschappen

VNG

VNG

Interprovinciaal Overleg

Interprovinciaal Overleg

VO Raad

VO Raad

MBO raad

MBO raad

NFU

NFU

VSNU

VSNU

Ministerie van Defensie

Ministerie van Defensie

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

WVOI

WVOI

Ministerie van Justitie en Veiligheid

Ministerie van Justitie en Veiligheid

Vereniging Hogescholen

Vereniging Hogescholen

Uitgelicht

Zelfstandige Publieke Werkgevers

In 2008 namen de ‘niet-kabinetssectoren’ het besluit zich te verenigen als Zelfstandige Publieke Werkgevers. Deze groep werkgevers heeft immers een iets andere relatie met het kabinet. Lees verder »

Achtergrond VSO

Niet langer centraal...

Het Verbond van sectorwerkgevers overheid (VSO) is op 10 december 1992 door de werkgevers in de overheidssectoren opgericht. De reden hiervoor: het arbeidsvoorwaardenoverleg voor het overheidspersoneel zou vanaf 1993 niet meer centraal maar in de verschillende overheidssectoren plaatsvinden. Dit betekende dat de primaire verantwoordelijkheid voor de arbeidsvoorwaarden voortaan bij de afzonderlijke overheidswerkgevers kwam te liggen.

Onder overheidswerkgevers was er zeker behoefte om in die nieuwe rol ervaringen en kennis te delen, expertise samen op te bouwen en om de onderhandelingsinzet op elkaar af te stemmen. Aan werknemerskant vond immers toen ook al gecoördineerd optreden plaats.

Inrichting pensioenoverleg

Op 30 januari 2004 sluiten de sectorwerkgevers bij de overheid een convenant af met het doel om aan werkgeverszijde het bovensectorale overleg over de pensioenafspraken van het overheidspersoneel vorm te geven. Daardoor worden feitelijk de voorwaarden geschapen voor een adequate overlegstructuur.

De volledige tekst van het convenant voor de inrichting van het pensioenoverleg van de sectorwerkgevers bij de overheid wordt op 10 maart 2004 in de Staatscourant gepubliceerd.

Een van de afspraken is dat bij de besluitvorming de gewogen stemverhouding wordt toegepast op basis van het aantal werknemers dat in een sector werkzaam is. De vijf kabinetssectoren (Rijk, defensie, primair en voortgezet onderwijs, politie en rechterlijke macht) hebben op dat moment duidelijk een meerderheid. Tot de afspraken behoort ook dat de kabinetssectoren in het bovensectorale pensioenoverleg “ten minste een gelijk aantal stemmen hebben” als de overige sectoren in dat overleg.

Inmiddels zijn sinds 2007 de arbeidsvoorwaarden voor het voortgezet onderwijs gedecentraliseerd en zijn er over de volledige decentralisatie van de arbeidsvoorden concrete afspraken met het primair onderwijs.

Het convenant is voor onbepaalde tijd gesloten, wel zal het op termijn moeten worden aangepast op de decentralisaties van het primair en voortgezet onderwijs. De praktische inrichting van het overleg wordt aan de sociale partners overgelaten.

Samenwerking gezocht

De overheidswerkgevers zochten samenwerking onder de naam van het Verbond sectorwerkgevers overheid (VSO), overigens lange tijd zonder formeel juridische status. BZK financierde het VSO. Zij deed dat vanuit haar verantwoordelijkheid voor het stelsel van arbeidsverhoudingen bij de overheid. Hier was ook jarenlang het secretariaat gevestigd. Gegeven zijn verantwoordelijkheid had de minister zelf natuurlijk ook belang bij het creëren c.q. faciliteren van een afstemmingsmechanisme.

Decentralisatie van arbeidsvoorwaardenoverleg wil niet zeggen dat er geen centrale verantwoordelijkheid meer is: de minister van Binnenlandse Zaken bleef in beeld als werkgever voor onder meer de sector Rijk, maar ook en vooral als verantwoordelijke voor coördinatie en afstemming van de arbeidsvoorwaardenvorming in de overheidssectoren.

Startschot

De toenmalige minister van BZK, Johan Remkes, schreef over dit alles begin 2005 een brief aan de Tweede en Eerste Kamer. Die brief – waaruit we hier citeren – vormde mede het startschot voor de oprichting van stichting VSO.

Volgens de minister had het VSO zich in de jaren daarvoor bewezen als een door iedereen erkend ‘waardevol informatieknooppunt en afstemmingsplatform’. Dat bleek ook uit een evaluatie in 2002. De noodzaak tot onderlinge afstemming zou in de jaren daarna alleen maar groter worden.

Door het VSO een aparte rechtspersoonlijkheid te geven en niet langer bij BZK te positioneren zou voortaan ook het interbestuurlijke karakter van het VSO beter tot uiting komen.

Commitment

De stichtingsvorm bevestigt en formaliseert slechts het commitment van de overheidswerkgevers om onderlinge afstemming in het arbeidsvoorwaardenoverleg te zoeken, benadrukte Remkes. In die zin is het VSO te vergelijken met het VNO/NCW.

Tegelijk met zijn voornemen om - als een van de deelnemers - mede de stichting VSO op te richten, stelde de minister in zijn brief aan de Kamer vast dat het VSO geen koers gaat volgen, die strijdig zal zijn met het kabinetsbeleid. De stemverhouding in het bestuur wordt immers bepaald door de omvang van het aantal dienstverbanden. Die was op dat moment zodanig dat de kabinetssectoren vanaf de oprichting een meerderheid van stemmen hebben.

De sectoren waar het VSO over gaat, vallen in twee hoofdgroepen uiteen: de net genoemde kabinetssectoren, zoals de departementen en de politie, en de meer gedecentraliseerde sectoren, zoals waterschappen, universiteiten en het onderwijs.

 

[Bron]

Kamerstuk 30064 nr. 1, brief d.d. 23 maart 2005 van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Eerste en de Tweede Kamer betreffende het Verbond sectorwerkgevers overheid en zijn voornemen het VSO rechtspersoonlijkheid te geven.

De hele brief lezen?

www.eerstekamer.nl/brief/20050323/oprichting_verbond